Blijf Actief - Minder mobiel, toch actief

 
 
 

Diagnose van urine-incontinentie

Een eenduidige diagnose van de oorzaak van de urine-incontinentie vormt een voorwaarde voor een succesvolle behandeling en een gerichte zorginterventie. In het kader van die diagnose dienen dan ook de aard en de oorzaken van de incontinentie vastgesteld te worden. Daarbij wordt ernaar gestreefd om niet alleen de symptomen van de patiënt, maar ook de oorzaken van de incontinentie te behandelen.

De patiënten, familieleden die hen verzorgen en verplegend personeel kunnen veel aan het vaststellen van de oorzaak bijdragen door de arts op de hoogte te stellen van de eigen of andermans observaties.

Het diagnostisch proces bestaat uit verschillende fasen:

  • Anamnese: In deze fase dient de patiënt ook zijn eigen observaties en de zorganamnese in te brengen. 
  • Algemeen lichamelijk onderzoek in het kader van de basisdiagnostiek.
  • Speciale diagnostiek: Als de arts via de basisdiagnostiek geen eenduidige diagnose kan stellen of indien een eerste conservatieve behandeling geen resultaat heeft opgeleverd, dient er een uitgebreidere diagnose plaatst te vinden.

Anamnese en basisdiagnostiek

In het kader van de anamnese worden de factoren in kaart gebracht die mogelijk verband kunnen houden met het ontstaan van de urine-incontinentie. De arts dient bij de patiënt te informeren naar:

  • het gebruik van medicijnen (vaak houdt incontinentie verband met medicijngebruik);
  • de menstruatiecyclus;
  • gynaecologische en urologische aandoeningen en operaties;
  • zijn seksleven;
  • de stoelgang;
  • het aantal zwangerschappen (duur van de bevalling / soort bevalling);
  • eerdere neurologische aandoeningen;
  • stofwisselingsstoornissen, zoals diabetes mellitus.

Het bijhouden van een mictieprotocol door de patiënt verschaft de arts belangrijke informatie over drinkgewoonten, urinelozingen ("micties") en het incontinentiepatroon. In het kader van dat protocol noteert de patiënt gedurende een aantal dagen het tijdstip van de toiletbezoeken, de mictiehoeveelheid en het eventuele onvrijwillige urineverlies.

Bij vrouwen bestaat het klinisch onderzoek uit een controle van de externe en interne genitaliën, terwijl bij mannen de penis wordt onderzocht.

De urine van patiënten dient onderzocht te worden om uit te sluiten dat de incontinentie een gevolg is van een urineweginfectie.

Bij het eerste onderzoek van de patiënt dienen eventuele morfologische veranderingen van de lagere urineweg middels een monografie onderzocht te worden en dient het volume van de resturine vastgesteld te worden.

Speciale diagnostiek 

Als de arts via een basisdiagnostiek geen eenduidige diagnose kan stellen of indien een eerste conservatieve behandeling geen resultaat heeft opgeleverd, dient er een uitgebreidere diagnose plaats te vinden. 

 

 
 
 
 ;