
Mensen met een visuele beperking (blinden en slechtzienden) verbruiken relatief meer energie om een bepaalde taak uit te voeren en zijn bovendien eerder vermoeid dan ziende mensen. Het ‘weinig tot niets zien' leidt ertoe dat mensen de neiging krijgen zo weinig mogelijk te bewegen, terwijl ze dat juist meer nodig hebben dan anderen om een goed uithoudingsvermogen te krijgen.
Blinde of slechtziende sporters hebben bij een aantal sporten goede begeleiding nodig om blessures te voorkomen. Dit zowel in de begeleiding van het sporten als in de trainingsopbouw. De wijze van trainen moet aangepast worden; in plaats van visuele demonstraties worden bewegingen uitgelegd en gecorrigeerd door tactiele en auditieve begeleiding. Wanneer mensen met een visuele beperking ertoe worden gestimuleerd om met een zekere regelmaat en intensiteit te sporten, krijgen en houden ze een hoge aërobe capaciteit en fysieke fitheid zodat ze alle normale dagelijkse activiteiten zonder extreme vermoeidheid kunnen uitvoeren.
Activiteiten als traplopen, fietsen en roeien op een ergometer en lange-afstandslopen worden specifiek als cardiorespiratoire activiteiten voor mensen met een visuele beperking aanbevolen. Er wordt hierbij een minimaal beroep gedaan op ‘het zien' en een maximaal beroep op het cardiovasculaire systeem. De frequentie, duur en intensiteit van de inspanningsprogramma's dienen ongeveer overeen te komen met die van anderen, willen de beoogde fysiologische effecten optreden.
Enerzijds is er een groot aantal algemeen gangbare sporten dat met de nodige aanpassingen (bijvoorbeeld rinkelende ballen of een doel met geluid) door mensen met een visuele beperking beoefend kan worden. Anderzijds zijn er ook sporten ontstaan die specifiek voor mensen met een visuele beperking zijn ontwikkeld. Geschikte sporten zijn atletiek, boogschieten, sportschieten, paardrijden en worstelen, showdown en goalball. Bij goalball en showdown kunnen zowel ziende, slechtziende als blinde sporters deelnemen, aangezien iedereen een geblindeerde skibril gebruikt.